Lok NS 225 (SIK)

Uit Condor Spoorwegen Lansingerland
Ga naar: navigatie, zoeken

Sik.jpg

Model Sik: LOCATIE IN OVP IN BOX 10

           Catalogusnummer: 62957 
           Fabrikant: ROCO 
           In dienst : december 2009
           Herkomst: Modelspoorbeurs Rijswijk
           Bijzonderheden: analoog

Grootbedrijf:

           Bouwserie: 200
           Bouwjaar: 1930 - 1950 
           Nummer: 225 
           Fabrikant: Schwartzkopff Berlijn; Werkspoor Amsterdam; Centrale werkplaats Zwolle
           Asindeling: Bo
           Functie: rangeerdienst
           Maximum snelheid : 60 km/h
           In dienst: 1932 - 1951
           Maatschappij: NS
           Terzijdestelling: 2008

Bijzonderheden:

           De Sik is een voornamelijk door Werkspoor gebouwde locomotor die bij de Nederlandse
           Spoorwegen veel werd gebruikt voor het rangeren met goederenwagens. Ook op
           verschillende particuliere bedrijfsterreinen waren deze locomotoren in gebruik.
           Er zijn, na een aantal prototypes, twee series geproduceerd: de Oersik genoemde serie
           103-152 (1930-1932) en de sterkere, dieselelektrische serie 201-369 (1934-1940,
           1949-1951). 
           Omdat stoomlocomotieven alleen aanwezig waren op grotere stations was het lastig om
           op kleinere stations rangeerbewegingen uit te voeren. Er was hier echter wel behoefte
           aan, maar het was economisch onverantwoord dit te doen. Hiervoor was een locomotor
           beter geschikt. Ook was deze gemakkelijker te bedienen, waarop dan een goedkopere
           rangeerder kon worden ingezet. Verder werden de locomotoren ook gebruikt om
           goederenwagens op kleinere stations op te halen of af te geven. Deze werden dan op
           een grotere station in de doorgaande goederentreinen opgenomen.
           Rangeren ging met deze locomotoren met een snel tempo. De locomotor had geen
           luchtdrukremmen, en in het begin van z'n dienst hadden ze een automatische koppeling.
           Ook was het mogelijk om de locomotor vanaf de treeplanken aan de zijkanten te
           bedienen. De locomotoren werden aangedreven met een dieselelektrische krachtbron. De
           locomotoren gingen buiten dienst met een driecilinder 'Stork Ricardo' viertaktmotor.
           Deze dreef een generator aan, welke elektromotoren of 'tractiemotoren' energie gaf.
           Heel bijzonder aan de locomotor was dat er geen speciaal koelmiddel
          (water met antivries) werd gebruikt maar de dieselbrandstof zelf als koelmiddel
           diende. Dit leverde een automatische "laag koelmiddel niveau - beveiliging" op
          (geen koelmiddel = geen brandstof = motor stopt) en werd dus verder niet bewaakt.
           Omdat er geen compressor nodig was, was er ook een oplossing nodig voor de
           fluit/toeter. Daar elektrische toeters niet zo luid kunnen zijn moest er luchtdruk
           gebruikt worden. Daar alleen de uitlaat genoeg luchtdruk opbrengt, werd er gekozen om
           een hulpstuk op de uitlaat te plaatsen. Door aan het koord te trekken, werd het
           hulpstuk in de uitlaatluchtstroom geplaatst en klonk een trillende fluit al naar
           gelang het toerental van de motor.
           De remmen zijn vrij makkelijk te bedienen. De locomotor heeft een handrem, een valrem
           en een voetrem. De val- en voetrem zijn vanaf buiten makkelijk te bedienen. De
           voetrem is een traphendel die hierdoor de remblokken tegen de wielen aandrukt. De
           hand rem doet hetzelfde, alleen met een draaihendel vanuit de cabine. De valrem is
           een verticaal draaiend hendel dat door zijn gewicht aan de hendel helpt remkracht uit
           te oefenen en de locomotor stil te houden, indien de bediener afstapt. Ook is hiermee
           de remkracht preciezer te bepalen. In alle gevallen wordt het remwerk volledig
           mechanisch aangedreven. De valrem moest natuurlijk worden vastgezet indien de
           locomotor in een trein als wagen werd getransporteerd ('in opzending'). Dit gebeurde
           door middel van een schroef en moer. Indien dit niet zou gebeuren, kon de valrem naar
           voren "vallen" als de trein remde. En dus een ongewilde remwerking uitoefende. Zodra
           de locomotor dan uit de trein werd gehaald, moest de schroef en moer verwijderd
           worden, anders werkt de valrem niet. Helaas zijn vele locomotoren slachtoffer van
           oploopbotsingen geworden, omdat de rangeerder vergeten had de schroef en moer te
           verwijderen en dus niet voldoende remvermogen had.
           Als werkpaard was de locomotor zeer gewaardeerd in de rangeerdienst. Snel en vlot en
           zonder grote technische problemen.
           De locomotor werd alleen bediend door rangeerder of personeel van "Weg en Werken",
           maar bijna nooit door machinisten.
           In 1927 richtte de NS zich tot de locomotieffabriek L. Schwartzkopff in Berlijn, die
           locomotor 101 bouwde. De locomotor kreeg nummer 101 en had een degelijke constructie.
           er werd er nog een locomotor gebouwd. Deze had een grotere radstand en een afdakje
           voor de rangeerder. Ook had deze locomotor een sterkere benzinemotor van 50 pk. Deze
           loc heeft dienstgedaan bij de NS van 1929 tot 1938 en van 1944 tot 1947. 
           Omdat men tevreden was over de 102 werd een serie van 17 stuks besteld bij Berliner
           Maschinebau A.G. in Berlijn. Deze 17 werden in 1930 gebouwd. Een jaar later werden
           nogmaals 11 stuks gebouwd, ditmaal door Werkspoor in Amsterdam. In 1932 bouwde deze
           onderneming nogmaals 22 locomotoren, die een sterkere motor hadden. Na de instroom
           van de nieuwere locomotoren uit de 200- en 300-serie werden deze locomotoren minder
           gebruikt. Ze werden de laatste jaren vooral gebruikt voor seizoensgebonden
           rangeerwerk, zoals het verplaatsen van bietenwagens. In 1948 ging de laatste buiten
           dienst.
           De serie 201-369 is een grotere en sterkere uitvoering van de locomotor. Zij
           werden in dienst gesteld tussen 1934 en 1951. Aanvankelijk waren zij groen
           geschilderd, vanaf de jaren zeventig werd dit de NS-huisstijl geel-grijs. Anno 2008
           zijn vrijwel alle locomotoren buiten gebruik gesteld omdat ze volgens de ARBO-normen
           onveilig zouden zijn, wegens het ontbreken van een goede dodemansinstallatie. Er zijn
           nog wel de nodige exemplaren bij museumorganisaties in gebruik.